12. Behandeling van hepatitis B bij patiŽnten met co-infecties

12.1 HIV co-infectie

1.    Hiervoor verwijst de werkgroep naar vigerende richtlijnen voor de behandeling van HIV-HBV co-infectie. (https://aidsinfo.nih.gov/guidelines/html/1/adult-and-adolescent-arv/25/hbv-hiv)

12.2 HDV co-infectie
1.    PatiŽnten met HBV-HDV co-infectie en gecompenseerde leverziekte kunnen worden behandeld met PEG-IFN met een behandelduur van minstens 48 weken
2.    Bij patiŽnten met HBV-HDV co-infectie en een detecteerbaar HBV DNA kan aanvullende behandeling met een NUC worden overwogen1
3.    Bij patiŽnten met acceptabele bijwerkingen dient de volledige PEG-IFN behandeling te worden afgemaakt ongeacht de virale kinetiek tijdens de behandeling

12.3 HCV co-infectie
1.    PatiŽnten met HBV-HCV co-infectie dienen te worden behandeld met NUCs als zij voldoen aan de reguliere behandelindicaties
2.    Bij HBsAg positieve patiŽnten die worden behandeld met direct acting antivirals (DAAs) tegen hepatitis C dient profylactische behandeling met NUCs tijdens, en tot 12 weken na, de DAA behandeling te worden overwogen
3.    Bij HBsAg negatieve, anti-HBc positieve patiŽnten die worden behandeld met DAAs tegen hepatitis C dient te worden gemonitord op het optreden van HBV reactivatie

Toelichting
1.    De EASL richtlijn suggereert een NUC te starten bij patiŽnten met een HBV-HDV coinfectie en een HBV DNA >2,000 IU/mL (indien geen cirrose) en bij alle patiŽnten met een detecteerbaar HBV DNA (indien [gedecompenseerde] cirrose). De werkgroep is van mening dat er tot dusver onvoldoende bewijs is om hier een stellige uitspraak over te doen. Op theoretische gronden is het inzetten van een NUC bij patiŽnten met cirrose met een detecteerbaar HBV DNA te overwegen, conform de adviezen bij patiŽnten met HBV monoinfectie.


Index